Evert Brouwer
diversen
Het is weer tijd voor een blik op de kalender. In de rubriek 'Terugkijker' richten we het vizier om de week op een gebeurtenis uit het verleden. Van militair-historische aard en gebeurtenissen waarbij Defensie betrokken was, maar ook situaties die invloed hebben gehad op de hele wereld.
Om hiermee het ‘o ja-gevoel’ op te roepen, maar ook omdat we in deze jachtige tijd gebeurtenissen vaak zo snel vergeten of ons deze niet meer exact herinneren. Vandaag gaan we terug naar 16 september 1916 als de eerste tank zijn intrede doet op het slagveld tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Dat gebeurt tijdens de Slag om Flers-Courcelette, die weer deel uitmaakt maakt van de meedogenloze Slag om de Somme (ruim achthonderdduizend doden en gewonden). Die eerste tank is een Britse uitvinding: de Mark I.
De contouren voor de nu niet meer weg te denken tanks zijn er al in 1906. Austro-Daimler presenteert dan een bijzondere pantserwagen op de Parijse Autosalon. Het vierwiel aangedreven voertuig sterft een snelle dood door toedoen van de Oostenrijkse keizer Frans Jozef I persoonlijk. Het paard van de Oostenrijkse chef-staf van het leger was gaan steigeren toen de pantserwagen tijdens een demonstratie werd gestart. Stel je voor dat de keizer zelf dat was overkomen!
Het zaadje is echter geplant, zeker bij een aantal Britse militairen, onder wie de latere generaal-majoor Ernest D. Swinton. Hij wordt later erkend als mede-uitvinder van de tank en krijgt daarvoor een bedrag van 1000 Britse ponden. Een fortuin in die tijd.
Een Britse tank is in handen van de Duitsers gevallen en op transport gezet voor onderzoek. (Foto: Bundesarchiv)
Landslagschepen
De ontwikkeling van de Mark 1 begint in februari 1915 als het Project Landslagschepen onder het British Battleships Committee. Het idee is om gepantserde voertuigen te ontwikkelen die de impasse rond de loopgravenoorlog kunnen doorbreken. Onder de codenaam ‘tank’ wordt in januari 1916 het eerste prototype getest. De bouwers denken bezig te zijn met de ontwikkeling van grote watertanks voor aan het front, vandaar de naam.
De Mark I is een zwaar, gepantserd voertuig met een rupsbanden, ontworpen om door modderig terrein en over prikkeldraadversperringen te rijden. De tank heeft zes tot twaalf millimeter dikke pantserplaten.
Er zijn twee versies gebouwd: de zogenoemde mannelijke (Male) die is bewapend met twee zesponder (57 mm) kanonnen en vier Hotchkiss .303 machinegeweren. De vrouwelijke versie (Female) heeft alleen Vickers .303 machinegeweren en is bedoeld voor ondersteuning van de infanterie. De Mark kende een lengte van 8,05 meter, was 4,22 meter breed en had een hoogte van 2,44 meter.
Generaal Swinton wordt gezien als een van de vaders van de tank. De Mark 1 was tijdens de Eerste Wereldoorlog de eerste op het slagveld. (Foto’s Wikipedia)
Onbetrouwbaar
De bemanning bestaat uit acht personen: een officier, een bestuurder, vier schutters en twee techneuten. Die laatste twee zijn hard nodig, want de tanks zijn gevoelig voor storingen en er breekt regelmatig van alles af. Het voertuig haalt een snelheid van maximaal zes kilometer per uur en valt door het enorme gewicht lastig te besturen.
De Britse bevelhebber veldmaarschalk Douglas Haig wil ze al snel inzetten bij de Slag om de Somme, maar door vertragingen worden de eerste pantsers pas gebruikt bij Flers-Courcelette. Er verschijnen die dag in totaal 49 Mark 1’s aan het front. Experts, zoals Ernest Swinton, waarschuwen Haig voor de onbetrouwbaarheid van de tank. De Fransen proberen Haig te overtuigen de aanval uit te stellen tot massaproductie mogelijk is. De generaal heeft daar geen oren naar. Het resultaat: van de 49 tanks weten er 32 de startlijn te bereiken. Slechts 21 zijn uiteindelijk daadwerkelijk ingezet, waarvan een aantal in handen van de aanvankelijk verbouwereerde tegenstander valt.
Twee FT-17’s van Franse makelij. Amerika kocht vlak voor het einde van de oorlog een flink aantal van die tanks. (Foto: historianet)
Rijdend fort
De beslissing van Haig om de tanks met vrijwel ongetrainde bemanningen in te zetten bij de Slag om de Somme, heeft vergaande negatieve gevolgen. De Duitsers zijn nu op de hoogte van het bestaan van die nieuwe Britse pantsers en van de eigenschappen. Daardoor hebben ze in de winter van 1916-17 genoeg tijd om hun verdediging aan te passen. De loopgraven worden verbreed en munitie pansterdoorborend. Bovendien gaat het land zelf ook sleutelen aan een tank. Die komen echter pas na het einde van de oorlog in groten getale uit de fabriek rollen. Bovendien is de onooglijke Duitse A7V meer een rijdend fort dan een tank.
Bij Britse aanval bij Cambrai in 1917 heeft de eerste grote tankslag in de geschiedenis plaats. Hierbij zijn maar liefst 476 tanks ingezet, de meeste van de tot Mark IV gemoderniseerde tank. Inmiddels hebben de Britten het belang van de tank ingezien. Er komt een lichter en sneller (20km/u) pantservoertuig: de Whippet (hazewindhond). De Fransen hebben dan ook al tanks: de Scheider, de Saint-Chamond en vooral de Renault FT17.
Het monument voor de gevallen tankbemanningen bij Pozières.
Nog een over
Tijdens de Slag aan de Somme is de militaire geschiedenis veranderd door de inzet van tanks. Die zorgden in alle opzichten voor een doorbraak. Ter herdenking aan de gesneuvelde bemanningen van deze tanks tijdens de Eerste Wereldoorlog, is in 1922 een klein monument opgericht nabij Pozières. In Engeland kan het enige overgebleven exemplaar van de Mark I worden bezichtigd. Het brok geschiedenis staat in The Tank Museum in Bovington in het Graafschap Dorset.