kapitein Charlotte Verolme
sergeant Jasper Verolme
‘Het bleek geen volwassene, maar een kind’
Geen dag is hetzelfde. Precies dát maakt het werk voor Jesse zo uitdagend. Maar wanneer meerdere heftige gebeurtenissen zich in korte tijd opstapelen, wordt zijn veerkracht zwaar op de proef gesteld. Met KMarMagazine deelt de wachtmeester zijn surrealistische verhaal. “Collega’s die dit lezen, weten: dit maak je niet dagelijks mee. Zeg maar gerust nooit.”
In ‘als het erop aankomt’ blikt een collega terug op één bijzondere of opvallende gebeurtenis. Bij Jesse ligt dat net even anders. Hij maakte in een paar maanden tijd drie uitzonderlijk zware incidenten mee. De eerste in december 2025, de tweede in februari van dit jaar en de derde een paar weken later. In alle drie de gevallen was Jesse als eerste en enige ter plaatse. Drie keer bleek de situatie totaal anders dan vooraf gedacht.
Kun je ons eens meenemen naar die eerste casus, in december ’25?
“Ik draaide een vroege dienst als motorrijder op Schiphol. Ironisch genoeg had ik de dag ervoor net mijn opleiding tot aanrijdingsselecteur afgerond. Dit was dus de eerste keer dat ik in die hoedanigheid op de motor stapte. Vrijwel direct kwam er een melding binnen van een ongeval op de A5. Het zou gaan om een eenzijdig ongeluk met alleen wat materiële schade. Al aanrijdend werd opgeschaald naar een traumatische reanimatie van een motorrijder.
Het verkeer achter het ongeluk liep inmiddels helemaal vast en er was geen vluchtstrook. De ambulance en brandweer hadden grote moeite om de plaats van het incident te bereiken. Met de motor lukte dit wel. Ik kwam als eerste aan en stuitte op een grote ravage.
Door toedoen van een roekeloze bestuurder was er een motorrijder ten val gekomen. Een auto achter hem kon niet meer op tijd uitwijken en had hem frontaal overreden. Voor ik het wist, kreeg ik die bestuurder in mijn armen gedrukt. Totaal in paniek natuurlijk. De veroorzaker van het ongeluk bleek ervandoor te zijn gegaan. Ondertussen lag de motorrijder op de grond, hij werd gereanimeerd door omstanders. Laten we het erop houden dat zijn toestand er niet best uit zag. En ik was nog steeds alleen.”
“Ironisch genoeg had ik de dag voor het ongeval net mijn opleiding tot aanrijdingsselecteur afgerond.”
Wat doe je op zo’n moment?
“Ik heb letterlijk en figuurlijk een stap teruggedaan en mijn stappenplan erbij gepakt. Dit was mijn eerste casus als aanrijdingsselecteur. Zo’n scenario uit de opleiding waarvan je denkt ‘ja hoor, dit gebeurt nooit’. Wel dus, en alle ogen waren op mij gericht. Ik had niemand om me achter te verschuilen. Met dat boekje bij de hand ben ik alle stappen gaan doorlopen: wat is de situatie, wie doet wat, welke informatie ontbreekt, welke sporen moeten worden veiliggesteld, et cetera. Het was een kwestie van de chaos accepteren en structureren.
Uiteindelijk kwam er iemand van Rijkswaterstaat ter plaatse, hem heb ik de instructie gegeven om die bestuurder bij zich te houden. Kort daarna volgden de brandweer, politie en ambulance. Voor mijn gevoel duurde dit allemaal heel lang, maar het zal nog geen vijf minuten zijn geweest. Ze konden niks meer doen voor de motorrijder. Hij is ter plekke op het asfalt overleden. Een onschuldige vent van 26 die niks fout deed. Het enige lichtpuntje is dat de verdachte, met dank aan een oplettende voorbijganger, uiteindelijk nog kon worden opgepakt.”
Hoe liep die casus voor jou af?
“Na het verzamelen en overdragen van de informatie aan de Forensische Opsporing Verkeer ben ik teruggegaan naar de kazerne. Het was inmiddels eind van de ochtend. Toen pas merkte ik dat ik nog niet had ontbeten. Alsof je gevoel al die tijd ‘uit’ staat. Ik heb een gesprek gehad met een collega van de Collegiale Ondersteuningsgroep (COG, red.) en daarna mijn dienst weer vervolgd. Dat voelde oké. Achteraf ontving ik de nodige complimenten over mijn handelen. Hoe cru de afloop ook was, we hebben alles gedaan wat we konden.”
“Hoe cru de afloop ook was, we hebben alles gedaan wat we konden.”
En toen?
“Toen was het 25 februari 2026. Een kleine twee maanden later. Ik had een relatief rustige dienst en stopte ergens in de buurt van Hoofddorp voor een bakje koffie. Op dat moment kwam er een melding van een reanimatie binnen, vijfhonderd meter bij mij vandaan. Ik stapte op mijn motor en zag verderop al een ambulance rijden met alle toeters en bellen. Hij verdween de hoek om, maar kwam vervolgens net zo hard weer terugrijden. De straat van het incident bleek over de gehele breedte te zijn afgesloten. Ik heb mijn motor neergezet, het hek opengeknipt en ben die kant op gerend. In mijn hoofd vormde ik onderweg al een soort plaatje. Een reanimatie, dat gaat negen van de tien keer om een volwassene. Maar op het moment dat ik het huis binnenrende, zag ik een klein meisje op de grond liggen. Ze bleek zes jaar te zijn.”
Wat was je eerste reactie?
“Weer die stap terug. Ik ben de gang in gelopen, heb diep ademgehaald en aan het Operationeel Centrum Haarlem doorgegeven dat de casus inderdaad positief was op een reanimatie. Maar dat het ging om een kindje van 6 jaar oud in plaats van een volwassene. Daarna heb ik werkruimte gecreëerd in de woonkamer en de reanimatie van de moeder overgenomen. Dan gaat alles heel snel. De traumaheli landde op de oprit, de andere hulpdiensten kwamen aan. Het huis stond binnen no time vol. Ik heb zelf een klein half uur gereanimeerd, om de twee minuten afwisselend met een brandweerman. De ouders zaten compleet in shock naast ons op de grond. Collega’s van de politie hebben zich over hen ontfermd.
Na een poosje wilde de arts van het Mobiel Medisch Team besluiten om te stoppen met de reanimatie, maar dat voelde niet goed. De brandweerman, het ambulancepersoneel en ik wilden koste wat het kost voorkomen dat het meisje in haar ouderlijk huis zou overlijden. We zijn doorgegaan met reanimeren, tot in de ambulance. Onder motorbegeleiding is het kindje naar het ziekenhuis vervoerd. Niemand verwachtte op dat moment dat ze het zou halen. Pas later, tijdens de debrief, hoorden we het ongelooflijke nieuws: ze was met hartslag in het ziekenhuis aangekomen. Op dat moment kwam er een bizar, euforisch gevoel van trots en blijdschap over me heen. Dan voel je echt: dit is waar we het voor doen.”
“We wilden koste wat het kost niet dat het meisje in haar ouderlijk huis zou overlijden.”
Wederom een casus die ter plaatse totaal anders bleek…
“Precies. En weer zo heftig. Maar ook nu overheerste een gevoel van trots. Je leert in je opleiding van alles, je oefent. Maar pas in de praktijk ervaar je hoe je op zulke incidenten reageert. Ik ben gaan handelen toen het moest. Dat geeft onwijs veel vertrouwen. Samen met de andere hulpverleners hebben we het gewoon geflikt.”
Zo. Je portie ellende had je wel gehad, over tot de orde van de dag.
“Dat dacht ik ook. Tot ik twee weken later onderweg was naar een melding van een man die mogelijk onder invloed op de grond lag. Erger dan dat meisje kon het in mijn hoofd niet worden. Dus hup, die kant op. Het zou gaan om een man die niet aanspreekbaar was en ergens op een parkeerplaats lag. Ik kwam nagenoeg tegelijkertijd aan met de politie. Via de portofoon hoorde ik de Officier van Dienst met lichte paniek in zijn stem tegen het Operationeel Centrum zeggen: ‘Dit is heel, heel erg. Stuur alles wat je hebt.’
Het bleek te gaan om een vrouw. Ze lag in een enorme plas bloed. Geen dronken man, geen reanimatie, maar een brute moord. Collega’s die dit lezen, weten: dit maak je als marechaussee niet dagelijks mee. Zeg maar gerust nooit.”
Wat kon jij nog doen op dat moment?
“Ik ben op mijn motor de wijk in gereden, op zoek naar de verdachte. Tevergeefs helaas. Terug op de kazerne vroeg mijn teamleider, die natuurlijk ook wist van de eerdere casussen, hoe het met me ging. Ik zat vol adrenaline en zei alleen maar ‘wow, dit was lijp’. Hij benadrukte dat ik in een paar maanden tijd meer had meegemaakt dan drie adjudanten met veertig jaar ervaring. Het deed me weinig, ik voelde er niks bij. Dat is ook niet goed natuurlijk.”
“Mijn passie voor het werk is groter dan ooit.”
En toen?
“Ik zou toevallig een paar dagen later met mijn vriendin naar Bonaire gaan voor een bruiloft. Dat was goed. Even weg van alles, afstand. Ik merkte daar dat ik slechter sliep, ik was rusteloos. Mijn vriendin werkt ook bij de politiedienst. Met haar, familie en vrienden heb ik veel gepraat over alles. Dat heeft onwijs geholpen. Samen met de ondersteuning van collega’s heb ik alles in de afgelopen maanden een plek kunnen geven.”
Hoe gaat het nu met je?
“Goed, oprecht. Deze week ben ik voor het eerst weer op de motor gestapt. Fris, fruitig en vol vertrouwen. Mijn passie voor het werk is groter dan ooit. Ik wil er staan als het erop aankomt. En in mijn geval kan dat zomaar sneller zijn dan gedacht…”