Evert Brouwer
Collectie NIMH/privécollectie Diederik van Overbeek
Pers en prinses bezoeken bescheiden Diederik van Overbeek
Hij voetbalde met vrienden op de bouwplaats van De Kuip in Rotterdam, vluchtte op zestienjarige leeftijd met zijn kameraad Ben Slier in 1940 naar Spanje, diende bij de Britse luchtmacht en woont nu al sinds de jaren ‘50 in Michigan, Verenigde Staten. Het leven van de 102-jarige Diederik van Overbeek leest als een spannend jongensboek. Onlangs is deze waarschijnlijk laatst levende Engelandvaarder ‘teruggevonden’. “Ik heb helemaal niks bijzonders gedaan. Als je nog zo jong bent, denk je onoverwinnelijk te zijn.”
Het interview heeft op afstand plaats, stomtoevallig op de dag dat de Royal Air Force (RAF) het honderdjarig bestaan viert. Hoewel de Engelandvaarder blind en slechthorend is, verloopt het gesprek vloeiend. De geest is nog haarscherp. “Ik richt me op zaken die ik nog wel kan doen”, onderstreept hij zijn optimistische karakter.
Dik 85 jaar geleden woont hij met zijn ouders in Rotterdam; ‘op Zuid’ zoals het daar heet. Diederik heeft een onbezorgde jeugd, tot de Duitse inval zijn jonge leven omgooit. Hij maakt het bombardement in de middag van 14 mei 1940 van dichtbij mee. De scholier, opgeleid tot bankwerker, helpt mee bij opruimwerkzaamheden in de stad. De Duitse bezetting begint de tiener en zijn (Joodse) vriend Ben al snel te benauwen. In alle stilte besluiten ze te vluchten.
Het verschrikkelijke bombardement van Rotterdam in de middag van 14 mei 1940 richtte grote verwoestingen aan. (foto’s Collectie NIMH)
De een was bang voor water, de ander had hoogtevrees
Boerderij bij Vierzon
In juni 1940 vertrekken ze per fiets uit Nederland met het doel Engeland te bereiken. Via België komen ze aan in de Franse plaats Vierzon, zo’n tweehonderd kilometer onder Parijs. Ze vinden er onderdak in een boerderij. “Ik heb daar als stadsjongen (‘City Slicker’) koeien leren melken. Na verloop van tijd zijn we weer richting Spanje getrokken.”
De herinneringen aan die reis door het met de Duitsers collaborerende Vichy (Frankrijk) komen nu weer boven. “Ik heb in de loop der tijd veel verdrongen. Die tocht dwars de Pyreneeën was voor ons beiden heel zwaar, weet ik nu weer. Ik moet er veel aan denken. De bergkammen en rivieren die we moesten oversteken. Dat is echt geen pretje als de een – ik dus - bang is voor water en de ander extreme hoogtevrees heeft.”
In de nacht van 30 september op 1 oktober 1940 passeren zij eindelijk de Spaanse grens bij Pamplona, waar ze worden gearresteerd. Vervolgens komen ze terecht in verschillende Spaanse gevangenissen en uiteindelijk in het concentratiekamp Miranda de Ebro. Na hun vrijlating bereiken ze alsnog Madrid. Ben besluit, als hun visum verloopt, vrijwillig terug te gaan naar Nederland. “Ik heb hem nooit kunnen vragen waarom”, zegt Diederik. “Ik snap daar nu nog steeds niks van.”
Links een ‘vliegende boot’ Catalina, die ook bij de Nederlandse Marine Luchtvaartdienst heeft gevlogen. Rechts de DH.89 ‘Dragon’. (Foto’s: Collectie NIMH)
Omdat varen me niet aanstond, kwam ik bij de luchtmacht
Vliegende boten
Ben overleeft de oorlog, ondanks zijn interneringen in het gevreesde Oranjehotel in Scheveningen, in Kamp Amersfoort en later in concentratiekamp Mauthausen. Diederik blijft in Spanje en brengt nog een periode deels door in gevangenschap. In oktober 1943 bereikt hij uiteindelijk Engeland. “Daar was de keuze simpel: marine of luchtmacht. Ik heb me nooit militair gevoeld; alleen die keren dat ik het uniform aan moest. Ik was maar een mecanicien en dat is alles dat ik ook wilde zijn. Omdat varen me niet aanstond, kwam ik bij de luchtmacht.”
Diederik komt als onderhoudsmonteur terecht bij het grondpersoneel van de Royal Air Force en volgt zijn opleiding in Noord-Ierland. “Er waren verder geen Nederlanders”, weet hij. “We sleutelden aan vliegende boten als de Short Sunderland en de Catalina.” Die toestellen moesten ervoor zorgen dat de geallieerde konvooien veilig de Atlantische Oceaan konden oversteken en bestreden met name Duitse onderzeeboten.
Later komt de Nederlander terecht bij Transport Command op Hendon Aerodrome, nabij Londen. “Er waren daar dubbeldekkers”, weet hij nog, doelend op de DH.89 ‘Dragon’. In Londen ontmoet hij zijn latere echtgenote Marjorie Bowman (grote foto bovenaan). Voor zijn moed, doorzettingsvermogen en verdiensten voor de geallieerde zaak werd hij in 1944 onderscheiden met het Kruis van Verdienste.
Links: Koningin Wilhelmina decoreert een aantal Engelandvaarders. Ook Diederik van Overbeek viel die eer ten beurt met het Kruis van Verdienste (rechts).
Ik volg het voetbal en verheug me op het WK
Oranjegevoel
Na de Duitse capitulatie blijft het gezin Van Overbeek, al snel gezegend met drie kinderen, tot 1956 in Engeland. Dan wagen ze de ‘sprong’ naar de Verenigde Staten, waar Diederik tot zijn zeventigste werkzaam is als elektricien. Nu woont hij in een bejaardencentrum en geniet, gesteund door zijn zeven kinderen, nog van iedere dag. “Spelletjes spelen, wat ik graag deed, gaat jammer genoeg niet meer. Ik volg het voetbal nog en verheug me op het Wereldkampioenschap hier in de VS. Vanzelfsprekend ben ik voor Nederland.”
Het ‘Oranjegevoel’ is ondanks alle jaren onverbroken. In 1944 is de Engelandvaarder diep onder de indruk van zijn ontmoeting met koningin Wilhelmina. En recentelijk was hij verbijsterd dat prinses Laurentien de moeite heeft genomen om hem op te zoeken in de VS. “Ze was heel lief voor me; ze hield heel lang mijn hand vast”, vertelt hij ontroerd. “Ik weet niet waarom ik dit verdien. Ik heb echt niets anders gedaan dan duizenden andere Engelandvaarders; behalve zo oud worden misschien.”
“Prinses Laurentien was heel lief voor me; ze hield heel lang mijn hand vast.” (Foto's: familie Van Overbeek)
Klap eens in je handjes
Er komen de afgelopen tijd steeds meer flarden van herinneringen boven door alle aandacht voor zijn persoon. Hoewel Diederik er aan het begin luchtig over doet (“we besloten gewoon te gaan”), klinkt er toch spijt in zijn stem over zijn overhaast vertrek uit Rotterdam. “Mijn moeder heb ik zonder bericht achtergelaten. Zij moet zich al die oorlogsjaren enorme zorgen hebben gemaakt.”
Aan het slot van het gesprek komt er nog een vleugje nostalgie voorbij. Dan blijkt dat Diederik van Overbeek zijn moedertaal nog best goed verstaat. Bij de vraag of zijn dochters nog wat Nederlands hebben meegekregen, klinkt er gelach op de achtergrond. Spontaan zetten twee van hen ‘Klap eens in je handjes, blij, blij, blij’ in, tot groot genoegen van senior.
“Onze vader heeft best veel gesproken over zijn vlucht uit Nederland”, vertelt dochter Pauline. “Ik was nieuwsgierig of er nog meer overlevenden zijn en heb die vraag op de site van de Engelandvaarders gezet. Daar hebben ze alles nagezocht in de archieven. Dat heeft tot alle belangstelling geleid en daar geniet vader nu echt van.”