Sla over en ga naar de inhoud

Terugkijker

4 min

Evert Brouwer

Wiki Commons/US Army

Het is weer tijd voor een blik op de kalender. In de rubriek 'Terugkijker' richten we het vizier om de week op een gebeurtenis uit het verleden. Van militair-historische aard en gebeurtenissen waarbij Defensie betrokken was, maar ook situaties die invloed hebben gehad op de hele wereld.

Om hiermee het ‘o ja-gevoel’ op te roepen, maar ook omdat we in deze jachtige tijd gebeurtenissen vaak zo snel vergeten of ons deze niet meer exact herinneren. Vandaag gaan we terug naar 15 augustus 1944 als er een tweede invasie in Frankrijk plaats heeft: Operatie Dragoon.

Deze grote amfibische landing in Zuid-Frankrijk is veel minder bekend, maar niet minder belangrijk geweest dan de landingen in Normandië van juni 1944. Maar ook deze actie was van een ongekende omvang. De geallieerden zetten in korte tijd 150.000 Amerikaanse en Franse militairen aan land.

Het doel was het openen van een tweede front in Frankrijk om de geallieerde opmars te versnellen en de bevrijding van het land te bespoedigen. Door een tekort aan middelen is de operatie, toen nog onder de naam Operatie Anvil, uitgesteld. In juni lag de focus namelijk op Operatie Overlord (D-Day) in Normandië.

De invasievloot voor de kust van Zuid-Frankrijk.

Pas eind juli 1944, als de havens in Normandië overbelast raken, is besloten om Anvil nieuw leven in te blazen. Dat gebeurde dus onder de nieuwe naam Dragoon, volgens de overlevering een naam die uit de mond kwam van de Britse premier Churchill.

Volgens de planning vormde het Amerikaanse zevende leger, onder leiding van generaal Alexander Patch, de hoofdmacht. De ondersteuning kwam van Franse troepen onder général Jean de Lattre de Tassigny. Samen zouden zij een gecoördineerde aanval uitvoeren om snel terrein te winnen.

Kaart van de landingen tijdens Operatie Dragoon. (Foto: Wiki Commons)

Eerste successen

Op 15 augustus 1944 begon de operatie met de landing van het Amerikaanse VI Korps op de stranden van de Côte d’Azur, onder bevel van generaal-majoor Lucian Truscott. De landingszones Saint-Tropez, Saint-Raphaël en Le Muy waren strategisch gekozen om zwaar verdedigde gebieden te vermijden. Dankzij een campagne met bombardementen vanuit de lucht en vanaf zee kwamen de Duitse stellingen onder zwaar vuur te liggen. De Amerikanen kregen daarbij hulp van schepen uit onder meer Griekenland  en Nieuw-Zeeland en luchtsteun van Australië en Zuid-Afrika.

Een leger van 75.000 man uit het Franse verzet, met name de guerrilla-eenheden (les Maquis), saboteerde ondertussen bruggen en communicatielijnen. Dat was niet alleen om de bezetter te verzwakken, maar ook terugtrekken en hergroeperen onmogelijk te maken.

Binnen een dag was al een bruggenhoofd van zo’n twintig kilometer diep gecreëerd. De Duitse troepen, verzwakt door de verplaatsingen naar Normandië, boden minder weerstand dan verwacht. De geallieerden maakten hier gretig gebruik van en drongen diep door in het binnenland, richting de Rhônevallei.

De bevrijders worden onthaald door de bevolking in Zuid-Frankrijk.

Uitdagingen en resultaten

Er vielen ondanks de snelle opmars veel slachtoffers. Er vielen aan Amerikaanse en Franse kant 26.000 doden en gewonden, aan Duitse zijde zevenduizend doden en 21.000 gewonden. Er werden 131.250 Duitsers krijgsgevangen gemaakt.

Een van de belangrijkste gevechten had plaats rond Montélimar. De Amerikaanse 36th Infantry Division en Franse troepen probeerden de Duitsers hier af te snijden omdat de Rhônevallei hier een natuurlijke doorgang bood. Het Duitse 19e Leger, onder bevel van generaal Friedrich Wiese, was echter vastberaden om te ontsnappen. Ondanks zware geallieerde luchtaanvallen en artilleriebarrages, wisten de Duitsers gaten in de geallieerde linies te vinden en door te breken.

Beide partijen leden aanzienlijke verliezen. Hoewel de geallieerden duizenden Duitse soldaten doodden of gevangennamen, wist de hoofdmacht van Legergroep G (ongeveer 130.000 man) via de oostelijke oever van de Rhône te ontkomen.

Het museum op Mont Faron en de begraafplaatsen herinneren aan Operatie Dragoon.

Operatie bleek essentieel

De slag vertraagde de geallieerde opmars enigszins, maar de operatie bleef desondanks een succes. Binnen vier weken waren grote delen van Zuid-Frankrijk bevrijd, inclusief de havens van Marseille en Toulon, die essentieel bleken voor de bevoorrading.

Op 14 september 1944 maakten de geallieerde troepen uit Zuid- en Noord-Frankrijk contact bij Dijon, wat het einde van Operatie Dragoon markeerde. Hoewel niet alle Duitse eenheden waren afgesneden, had de operatie haar primaire doelstellingen bereikt: een tweede front openen, de bevrijding van Frankrijk versnellen en de Duitse positie in West-Europa verzwakken.

Net als rond de landingsplaatsen in Normandië, kent de Zuid-Franse kust veel herdenkingsplaatsen en musea. Het bekendst is het Memorial de Debarquement en Provence. Dit museum is te vinden op de Mont Faron bij Toulouse en heeft de bekende Sherman-tank als visitekaartje. Op bijvoorbeeld het Rhône-American Cemetry in Draguignan liggen 861 Amerikaanse militairen begraven die bij gevechten rond de invasie zijn omgekomen. Daar is in 2019 ook stilgestaan bij 75 jaar Operatie Dragoon.

Defensiekrant

Editie 30 2026