Michael Simon
KPLBDA Eefje Zoetemelk en Cees Baardman
USMC en Korps Mariniers schouder aan schouder in Mojave-woestijn
In de Mojave-woestijn, in het zuidwesten van de Verenigde Staten, nam het Korps Mariniers deel aan de oefening Desert Raider. Op het Marine Air Ground Combat Center (MCAGCC) oefenden in totaal zo’n 250 militairen van 2nd Marine Combat Group met Amerikaanse collega’s van het United States Marines Corps (USMC). “We hebben hier een hoog niveau aangetikt, daar mogen we erg tevreden mee zijn.”
Majoor der mariniers Sven is enthousiast over het oefenen in Noord-Amerika’s droogste woestijn, berucht om de extreme temperaturen. “We zijn hier ook wel eens in augustus geweest. Dan kan het kwik boven de 50 graden Celsius uitkomen. Maar nu, van eind januari tot begin maart, was het overdag zo tussen de 10 en 28 graden. Op een tweetal zandstormen na is dit wel wat minder uitdagend, maar ideaal om de maximale trainingswaarde te halen op het gebied van live fires en geïntegreerd optreden.”
“We hadden hier de ideale omstandigheden om maximale trainingswaarde te halen.”
Oefenen in breed spectrum
De uitgestrektheid van het trainingsgebied, ruim 3.000 vierkante kilometer, en het type terrein bieden mogelijkheden die elders niet te simuleren zijn, vertelt Sven. “Naast traditionele trainingsmogelijkheden biedt MCAGCC in toenemende mate de mogelijkheid in het bredere spectrum van oorlogsvoering te oefenen, bijvoorbeeld door middel van de inzet van Electronic Warfare en Cyber. De Amerikanen verbeteren de onderlinge communicatie en connectiviteit in het oefengebied steeds verder. Hierdoor konden ook wij nog beter trainen op het beheersen, beschermen en verstoren van het elektromagnetisch spectrum.”
Raiding Squadron-commandant MAJMARNS Sven.
Drones uitschakelen
Iets wat het USMC ook steeds verder ontwikkelt, is de mogelijkheid om Unmanned Aerial Systems (UAS) te integreren in live fire-oefeningen. “Op een van de ranges oefenden we het uit de lucht schieten van vijandelijke drones. Dat kunnen we normaliter nergens trainen op deze manier, dus daar hebben we hier optimaal gebruik van gemaakt. Hierbij hingen we ballonnen met een loodje erin aan een visdraad onder de drone. Die probeerden we vervolgens te raken met de MAG en met de Colt C7/C8. Dat viel zoals verwacht nog behoorlijk tegen.”
Het raakschieten was volgens de majoor niet per se het belangrijkste doel. “Het ging vooral ook om bewustwording. De mannen merkten dat je, zonder specialistische middelen, een hele kleine kans hebt om raak te schieten. Zeker als de drone in beweging is. Zodra hij stil hing, doordat we hem wisten te jammen en hij geen signaal meer had, ging dat een stuk effectiever. Het kost heel veel munitie en een tijdige signalering om zo’n ding uit te schakelen als je geen beschikking hebt over anti-drone middelen. Het is goed om je hiervan bewust te zijn.”
Wie namen deel?
De oefening stond onder leiding van een Amerikaans regiment, waarbij de Exercising Force (EXFOR) bestond uit:
- Ground Combat Element;
- Logistic Combat Element;
- Aviation Element.
Aan Nederlandse zijde bestond de trainende eenheid uit:
- 20e Combat Service Support Squadron;
- 23e Raiding Squadron (1 troop);
- 24e Combat Support Squadron;
- 25e Reconnaissance Surveillance Target Acquisition Squadron;
- Medical Support Team.
De totale Nederlandse aanwezigheid bestond uit zo’n 250 militairen. Het ging om 150 mariniers die daadwerkelijk oefenden, aangevuld met onder meer ondersteuning, kampstaf, reservisten, marechaussees en personeel van het Marine Training Command.
“Door de grootte en het type terrein kunnen we in het bredere spectrum van oorlogsvoering oefenen.”
Via afvoerketen naar graveyard
De Nederlanders hielden deels hun eigen oefeningen, maar werkten ook samen met Amerikaanse collega’s. “De meest verregaande integratie vond plaats tijdens de force-on-force-oefening. Hierbij werden we onderdeel van de Amerikaanse eenheid. Zij hadden dit scenario compleet weggezet, dus voor ons was het een black box.”
Vervolgens werd tijdens een vijfdaagse exercitie, samen met andere eenheden, het gevecht aangegaan met een gelijkwaardige tegenstander, eveneens voorzien van geavanceerde middelen en wapensystemen. Nederlanders en Amerikanen werden hierbij gemixt. De oefening was dermate realistisch dat je, eenmaal uitgeschakeld, niet meer deel mocht nemen, legt Sven uit: “Als je bijvoorbeeld op dag 1 werd uitgeschakeld, ging je via de afvoerketen naar een graveyard. Letterlijke vertaling is ‘begraafplaats’, maar hier ging het om een tentenkamp waar alle ‘doden’ en ‘gewonden’ bij elkaar kwamen. Daar zat je dan tot het einde van de training in de wachtende houding.”
“Door deel te nemen aan een grote USMC-oefening kun je meer gebruikmaken van Amerikaanse capaciteiten en middelen.”
Transitie naar nieuwe taakstelling
“De grootste uitdaging in de samenwerking tijdens dit soort optredens was het afstemmen van de communicatiesystemen in het gevecht. Toch was het zoals gewoonlijk ook nu weer heel prettig om samen op te trekken met onze counterparts. We hebben hier ook vaak zelfstandig geoefend, maar door deel te nemen aan een grote USMC-oefening zoals deze, kun je ook meer gebruikmaken van hun capaciteiten en middelen.”
Hoewel het ook voor het Korps Mariniers zelf behoorlijk wat vergt om een oefening als deze op te zetten, was dit het allemaal waard, benadrukt Sven. “De oefening stond grotendeels in het teken van onze transitie naar de Specialized Amphibious Advanced Forces (SAAF)-taakstelling, die we vanaf eind dit jaar gaan hanteren. Daarbinnen maken we gebruik van zogenaamde Find en Strike Squadrons. Hierbij proberen wij als pre-landing forces met kleine, snelle en lichte elementen in de zogenoemde shaping fase van het gevecht het verschil te maken. Het was in dat kader zeer leerzaam om tijdens Desert Raider een aantal nieuwe manieren van optreden, planningsmethoden, tactieken en technieken toe te passen en uit te proberen.”
“We hebben in hun commandostructuur getraind, zelfs tot op regimentsniveau; uniek voor Nederlanders.”
Verbeteren samenwerking
Verder was het verbeteren van de samenwerking met de Amerikaanse mariniers ook een doelstelling. “Dat is goed gelukt. We hebben in hun commandostructuur getraind, zelfs tot op regimentsniveau. Dat is wel uniek voor Nederlanders. Dat is heel uitdagend, maar we hebben er veel van geleerd: strijden binnen complexe scenario’s, in een omgeving die zowel lichamelijk als mentaal uitdaagt.”
Het maakt majoor Sven ten slotte trots. “Ik was hier één van de squadron-commandanten van de deelnemende squadrons en tevens Officier Belast met de Leiding. We werkten met een kleine, beperkte staf. Daarbij zijn veel mensen uit hun organieke rol getrokken om andere dingen ernaast op te pakken. Als je dan ziet wat we hier op poten hebben gezet en hoe we hier geoefend hebben, dan ben ik daar zeker trots op.”