KAP Jaap Wolting
privéfoto’s, archief Mediacentrum Defensie, diversen
‘De onderofficier staat in het hart van de landmacht’
Jarenlang draaide het bij Defensie om beknibbelen. Eenheden verdwenen, de krijgsmacht stootte materieel af, vacatures bleven openstaan. Toen Cees Bielander in 2023 Landmachtadjudant werd, waren de contouren van verandering al zichtbaar. In een uitgebreid gesprek blikt de Krijgsmachtadjudant to be terug op de omslag naar groei, de focus op hoofdtaak 1 en de uitdagingen voor het onderofficierskorps. Tevens introduceren we zijn opvolger Klaas Bootsma.
Toen adjudant Bielander in Utrecht begon, stak zijn voorganger Ad Koevoets nog energie in het afhandelen van eerdere bezuinigingen. Ondertussen werd echter duidelijk dat de veiligheidssituatie in Europa drastisch veranderde. “Toen ik hier startte zag ik al wel dat het de andere kant op ging,” vertelt Bielander medio mei op de Kromhoutkazerne. “Maar de politiek was nog niet zover dat ze opeens met zakken vol geld over de brug kwamen.”
De veiligheidssituatie in Europa veranderde drastisch
De oorlog in Oekraïne maakte volgens de luchtdoelartillerist duidelijk dat Defensie weer serieus moest nadenken over hoofdtaak 1: het verdedigen van NAVO-grondgebied en het kunnen optreden in een grootschalig conflict. “Dat was een wake-up call,” zegt hij kalm. De echte omslag kwam volgens hem toen generaal Swillens aantrad en tegelijkertijd bekend werd dat Defensie fors meer geld kreeg. Vanaf dat moment veranderden zowel de richting van de organisatie als de snelheid waarmee alles moest gebeuren.
Adjudant Bielander en luitenant-generaal Swillens in gesprek met militairen in uitzendgebied, tijdens een van de vele buitenlandse werkbezoeken die ze de afgelopen jaren maakten.
Terug naar hoofdtaak 1
De terugkeer naar hoofdtaak 1 betekent een fundamentele verandering voor veel militairen. Volgens de adjudant heeft slechts een kleine groep oudere onderofficieren nog ervaring met de ‘Koude Oorlog-structuur’. “De jongeren kennen alleen hoofdtaak 2,” vertelt hij. Daarmee doelt hij op uitzendingen naar bijvoorbeeld Afghanistan of Mali. Een eenheid kreeg een opdracht, bereidde zich uitgebreid voor en ging op missie. Daarna volgde verlof en een terugkeer naar de normale werkzaamheden. “De voorbereiding voor een uitzending was vaak zwaarder dan de uitzending zelf,” zegt Bielander bedachtzaam.
Volgens hem vraagt hoofdtaak 1 om meer drill-matig trainen: bouwsteenoefeningen, procedures en optreden in grotere verbanden. “Als je hoofdtaak 1 beheerst, beheers je hoofdtaak 2 ook,” vat hij samen voordat hij op z’n horloge kijkt. “Ik heb niet zo heel veel tijd meer, over een half uurtje wacht de baas.”
Adjudant Bielander: “De jongeren kennen alleen hoofdtaak 2”. Hij doelt hiermee onder meer op Mali, hier te zien op een archieffoto, omgeving Gao.
Meer oefenen, meer druk
Hoofdtaak 1 zorgt ervoor dat militairen vaak en lang oefenen. Tegelijkertijd waarschuwt de adjudant dat Defensie goed moet nadenken over de belasting van personeel. “Ik denk dat de grootste spanning nu zit in de overgang van wat mensen gewend zijn, naar waar we naartoe gaan. De huidige situatie is extra zwaar omdat alles tegelijkertijd gaat. Groeien, nieuwe mensen aantrekken, materieel aanschaffen én de organisatie hervormen. De druk is heel hoog en het moet ook allemaal ook nog eens snel.”
We hebben te weinig leiders om nieuw personeel aan te sturen
Onderofficieren voelen die druk meer dan wie ook. De landmacht werft momenteel zeer succesvol nieuwe manschappen, maar het aantal sergeanten blijft achter. “Daar hebben we 2.600 vacatures,” legt Bielander uit. “Dus je hebt meer mensen op de werkvloer, maar te weinig leiders om ze aan te sturen.”
De landmacht werft momenteel zeer succesvol nieuwe manschappen, maar het aantal sergeanten blijft achter.
Sneller doorgroeien, minder ervaring
Een van de grootste zorgen van de adjudant is dat jonge onderofficieren door personeelstekorten sneller dan ooit moeten doorgroeien. “Vroeger draaide je meerdere functies voordat je OPC werd,” vertelt hij. Nu is dat lang niet altijd meer het geval. “Jonge sergeanten komen dan in werksituaties terecht waar ze nog niet aan gewend zijn,” zegt Bielander. “Daar moeten we mee dealen.”
Volgens de scheidend Landmachtadjudant moeten commandanten daarom realistisch blijven. “Het resultaat is heilig,” zegt hij. “Maar als mensen links en rechts omvallen omdat je alleen maar vol gas geeft, schiet je je doel voorbij.”
Adjudant Bielander gebroederlijk op de foto met een buitenlandse, militaire bondgenoot.
Kloof tussen plannen en praktijk
Een terugkerend thema in gesprekken met onderofficieren was volgens adjudant Bielander de vraag: ‘Hoe dan?’ Militairen zien dat Defensie groeit en meer geld krijgt, maar merken op de werkvloer niet altijd meteen verschil. Hij noemt CBRN-eenheden die nog steeds met oud materieel werken. “Dan zegt iemand: er komt toch zoveel geld bij? Waarom hebben wij nog oude spullen?”
Het probleem is volgens de gelouterde onderofficier dat alle NAVO-landen tegelijkertijd investeren. “Toen er geen geld was, lagen de schappen vol,” zegt hij. “Nu iedereen knaken heeft, zijn de schappen leeg.”
Nu iedereen knaken heeft, zijn de schappen leeg
Ook infrastructuur blijft achter. Nieuwe militairen moeten ergens slapen, werken en oefenen. “Als je mensen binnenhaalt, heb je wel bedjes nodig,” vertelt de adjudant droogjes. Meer mensen op kamers en tijdelijke oplossingen horen momenteel bij de dagelijkse realiteit. “Er wordt veel van de sergeant verwacht,” geeft Bielander ruiterlijk toe. “Dat past bij onze can-do-mentaliteit, maar ergens gaat het natuurlijk knellen.”
Een van de dingen die Bielander het liefste deed als Landmachtadjudant: in gesprek gaan met de mannen en vrouwen die de ruggengraat van de organisatie vormen.
Uitleggen, uitleggen, uitleggen
Volgens de adjudant is goede informatievoorziening een van de grootste uitdagingen binnen de landmacht. “Mijn hoofdtaak was uitleggen, uitleggen, uitleggen.” Hij merkt dat informatie de werkvloer niet altijd goed bereikt. Hij noemt als voorbeeld de route naar de KMS. Procedures die vroeger ingewikkeld waren, zijn inmiddels sterk vereenvoudigd. Toch denken veel korporaals nog steeds dat ze allerlei oude obstakels moeten overwinnen. “Die hobbels zijn allang weg,” zegt hij. “Hoe goed we het ook uitleggen, het beklijft niet.”
Bielander als Landmachtadjudant aan de praat met jonge collega’s.
Toekomst van de KMS
Een groot deel van het gesprek gaat over de vernieuwing van de Koninklijke Militaire School. Volgens de adjudant staat die KMS voor een enorme groei. Eentje die kansen biedt, maar waar gevaar ook op de loer ligt. “Je moet voorkomen dat je alleen nog maar op kwantiteit gaat sturen,” waarschuwt Bielander.
Je moet voorkomen dat je alleen nog maar op kwantiteit gaat sturen
Om meer onderofficieren op te leiden, vernieuwde de KMS de opleiding de afgelopen jaren grondig. De traditionele opleiding van 43 weken kreeg een modulair karakter. Daardoor kunnen ervaren korporaals vrijstellingen krijgen en sneller doorstromen. Daarnaast maakte de KMS een onderscheid tussen reguliere en gefaseerde onderofficieren. De gefaseerde route is bedoeld voor mensen met een meer praktische onderwijsachtergrond. “Die kunnen prima functioneren in de onderbouw,” zegt Bielander. “Maar als ze later verder omhoog willen, moeten ze laten zien dat ze ook analytisch en planmatig kunnen werken.”
Een bijzonder moment waar adjudant Bielander actief deel van uitmaakte: een bezoek van koning Willem-Alexander aan de Kromhoutkazerne.
Kwaliteit versus kwantiteit
Juist nu veel jonge militairen zonder ervaring binnenstromen, moet het opleiden van onderofficieren ontzettend goed gebeuren. De oude rot haalt daarbij zijn eigen beginperiode aan, waarin hij als twintigjarige leiding gaf aan technisch goed opgeleide dienstplichtigen. “Ik bleef alleen overeind omdat mijn opleiding extreem goed was.” Daarom moet volgens hem de basis van het onderofficierskorps bewaakt worden. “Misschien moeten we mensen in de toekomst zelfs béter opleiden dan vroeger.”
Cees Bielander was ook al Landmachtadjudant toen luitenant-generaal Wijnen nog de leiding had over het Commando Landstrijdkrachten.
De stem van onderofficieren
De veranderingen binnen de KMS kwamen niet alleen van bovenaf. Juist het Landmachtadjudantenoverleg speelde een belangrijke rol. “90 procent van die plannen kwam uit het onderofficierskorps zelf,” zegt Bielander met glimmende ogen. Volgens hem bewijst dat hoe belangrijk de stem van onderofficieren is binnen de organisatie. Hij hoopt dat zijn opvolger blijft investeren in de ‘bakermat’ van het onderofficierskorps. “Je kunt best aparte trajecten maken voor dienjaarmilitairen of reservisten,” zegt hij. “Maar houd alsjeblieft wel de enige echte Nederlandse onderofficiersschool overeind.”
Uitgerekend in Ermelo, thuisbasis van de Koninklijke Militaire School, start Klaas Bootsma als Landmachtadjudant.
Wie is de nieuwe Landmachtadjudant?
Klaas Bootsma, als dienstplichtige opgekomen in de jaren ’90 en bij velen bekend als de brigadeadjudant van 43 Gemechaniseerde Brigade. Dat was uiteraard slechts een van zijn vele functies. Adjudant Bootsma was eerder onder meer VustCo-adjudant in ’t Harde, AMO-instructeur in Ermelo, batterijopper en Schooladjudant. De ervaren onderofficier, door collega’s geroemd om zijn verantwoordelijkheidsbesef en mensgerichtheid, draaide uitzendingen in voormalig Joegoslavië, Irak, Kosovo en Afghanistan. Generaal Swillens omschrijft Bootsma met slechts 3 woorden: “authentiek, bescheiden en loyaal” en heeft vertrouwen in het draagvlak van de adjudant op de werkvloer.
Adjudant Bootsma sprak in zijn eerste toespraak als Landmachtadjudant over de kracht van de onderofficier als vakman, leider en instructeur in een razendsnel veranderend gevechtsveld. Waarbij nieuwe technologie en andere dreigingen de manier waarop we moeten vechten en ondersteunen, veranderen. Dat vraagt veel van groepscommandanten en onderofficieren. Bootsma stelde de vraag; “Hoe blijf je leidinggeven in een omgeving die continue verandert?” Juist daar ziet hij de kracht van onze onderofficieren.
Nieuwe rol in Den Haag
Binnenkort maakt Bielander de overstap naar Krijgsmachtadjudant in Den Haag. “Bij de landmacht liggen we allemaal redelijk op één lijn,” zegt hij. “Maar bij marine, luchtmacht en marechaussee spelen weer andere zaken.” Zijn uitdaging wordt om die verschillende belangen samen te brengen.
De oude en de nieuwe Krijgsmachtadjudant in 1 beeld gevangen.
Saamhorigheid binnen de landmacht
Aan het einde van het interview komt ter sprake wat hij straks het meeste zal missen. Zijn antwoord komt direct: “Mijn landmachtmaten. Als ik nu een probleem heb en iemand bel, wordt het opgelost,” vertelt hij. Tegelijkertijd erkent hij dat het niet altijd makkelijk was om alle belangen, afdelingen en mensen bij elkaar te houden. “De kikkers in de kruiwagen houden was soms mijn lastigste klus,” zegt hij lachend.
Ik ga mijn landmachtmaten het meeste missen
Trots
Toch overheerst trots. De komende jaren zullen bepalen of Defensie erin slaagt om groei, kwaliteit en gereedheid met elkaar in balans te houden. Eén ding weet Bielander zeker: “Zonder goede onderofficieren lukt dat niet”.